Referentie artikel:

MITCHELL D., People like Hicks, in: BERTRAND MONK D., DAVIS M., Evil Paradises: Neoliberal dreamworlds, New York, The New Press, 2007, pp. 207-218.

 

Ik koos voor dit korte, maar inhoudelijk zeer overtuigende artikel van Don Mitchell omdat dit op prangende wijze de twee luiken van ons onderzoeksthema, zijnde ‘neoliberal dreamworlds’ en ‘urban governnance’ verenigt.
Mitchell bekritiseert aan de hand van de casus van Kevin Hicks de nieuwe socio-spatiale invulling van publieke ruimten in het neoliberale systeem en de manier waarop dit als een sluipend gif ons democratisch bestel uitholt.
‘People like Hicks’ beschrijft het hallucinante verhaal van Kevin Hicks, een kersverse vader die luiers wilde brengen naar zijn pasgeboren dochter die samen met zijn vriendin in een sociaal huisvestingsproject ‘Virginia Whitcomb Court’ in het Amerikaanse Richmond woonde. Dit huisvestingsproject was eigendom van de Richmond Redevelopment and Housing Authority, een semi-publieke instelling, die als strenge landheer toekeek op wie wel of niet haar grondgebied betrad. Dit ging zover dat de RRHA ook de straten in en rond het huisvestingsproject onder haar voogdij kreeg, onder voorwaarde dat deze straten toegankelijk bleven voor publiek gebruik.
De privatisering van de publieke ruimte is een van de voornaamste tendensen binnen het neoliberale urbane beleid zoals dat vandaag de dag gevoerd wordt in het gros van de steden. Dit ‘beleid’ wordt gekarakteriseerd door ondernemerschap, ‘managerialisme’, efficiëntie en voortdurende overdracht van bevoegdheden van publieke naar private instellingen. Ook de Richmond Redevelopment and Housing Authority is een voorbeeld waarin een partnerschap van ontwikkelaars, vastgoedmakelaars en de overheid het sociale huisvestingsbeleid uitstippelen en uitvoeren. De casus van ‘The People versus Hicks’ is extreem, omdat hier niet alleen het sociaal huisvestingsterrein geprivatiseerd wordt, maar eveneens de straten rondom het terrein. Hiermee verschilt de Virginia Whitcomb Court van andere ‘gated communities’.[1]
Omdat deze privatisering van de urbane ruimte voor de RRHP nog nier ver genoeg ging, vaardigde zij eveneens een ‘trespass barment rule’ uit. Hiermee gaf de RRHA zichzelf de toestemming om alle mensen weg te sturen die geen zakelijke of sociaal verantwoorde reden hadden om zich op hun grondgebied te bevinden. Wanneer deze mensen na een eerste aanmaning opnieuw betrapt werden in de straten rond of op het sociaal huisvestingsterrein, werden zij gearresteerd en voor het leven gebannen van de straten en eigendommen van de RRHA. Er was geen beroep mogelijk tegen deze ‘excommunicatie’. De RRHA legitimeerde deze repressieve houding door de toenemende narcotisering van de straten rond de Virginia Whitcomb Court en het onveiligheidsgevoel van de bewoners dat hierdoor werd aangewakkerd.
Het zogenaamde onveiligheidsgevoel is een concept dat een bijna metafysische dimensie krijgt in de neoliberale logica. Het continu refereren naar dit fenomeen is exemplarisch voor de ‘politiek van de angst’ die men bedrijft in de neoliberale ruimten en de daaraan vastgekoppelde ‘securitization’ van deze ruimten. Van Swaaningen poneerde dat de neoliberale stad in toenemende mate mensen onder strafrechterlijke controle plaatst die niet officieel onder verdenking staan.[2] Het plaatsen van surveillance-camera’s en de populariteit van ‘closed circuit television’ vormen een abjecte illustratie van de sociale hygiëne in de nieuwe stedelijke ruimte die niet zelden leidt tot raciale en socio-economische segregatie. Een bepaalde groep mensen lijkt in deze ruimten niet zonder verantwoorde reden te mogen rondhangen. Ook Kevin Hicks had een gegronde reden nodig om simpelweg te ‘zijn’. De casus van Hicks illustreert hoe publieke ruimten, in dit geval een straat, steeds vaker worden geprivatiseerd om legaal gedrag van een bedenkelijke klasse te kunnen criminaliseren. Voor de auteur vormt deze tendens de apotheose van ons democratisch bestel en ik kan dit alleen maar beamen.
Kevin Hicks werd gearresteerd toen hij luiers voor zijn dochtertje naar zijn vriendin bracht en hierdoor voor de twee maal betrapt werd op het grondgebied van de RRHA. Dit was volgens de ‘trespass barment rule’ voldoende reden om hem voor het leven te bannen van de Virginia Whitcomb Court Housing Project en een significant aantal omliggende straten. Niet alleen werd het hem onmogelijk gemaakt om zijn vriendin en dochtertje te bezoeken, hij werd bovendien gedetineerd.
Het frappante aan deze zaak is niet alleen haar perverse inhoudelijke realiteit, maar ook de manier waarop ze juridisch werd uitgevochten. In de daaropvolgende rechtzaak voor de Virginia Court of Appeals probeerde Hicks zich immers te verdedigen door zich te beroepen op het eerste amendement van de Amerikaanse Grondwet. Dit amendement waarborgt het recht op vrije meningsuiting en politieke vergadering. De advocaten van Hicks redeneerden dat hij zijn eerste amendement niet kon uitoefenen als hij van de straten werd verbannen en stipuleerden dat ‘ the trespass barment from the RRHA chilled political speeched and assembly’ .
Het aanhalen van het eerste amendement is zeer gebruikelijk in Amerikaanse rechtszaken. In vele gevallen gaat het eerder om pragmatiek van de advocaten die hun cliënten willen behoeden van een gevangenisstraf en niet zozeer hun welgemeende bezorgdheid voor de teloorgang van de democratie ‘as we knew it’. Gemeend of gehuicheld, het aanhalen van de inperking van de politieke rechten van Hicks gaat in op de essentie van het probleem bij de privatisering van publieke ruimten waarbij politieke dissidentie a-priori in de kiem kan gesmoord worden. Wanneer de interne politieke ruimte al in grote mate gekaapt wordt door de neoliberale logica van ‘partnerships’ tussen economische actoren, de civiele maatschappij en de staat, wordt de strijd om de externe politieke ruimte een symbolische veldslag. De voornaamste politieke strijden, zoals de arbeidersstrijd, de vrouwenstrijd en de andersglobalistenstrijd werden in een eerste fase uitgevochten op de straten. Nu ook deze publieke ruimte in toenemende mate gecommodificeerd wordt, blijft er weinig speelruimte om het hegemonisch discours te contesteren.[3]
De RRHA verdedigde zich door te poneren dat mensen ‘hun’ publieke ruimte mochten gebruiken voor politieke doeleinden mits toestemming van de huizenprojectmanager.
Het feit dat niet de burgermeester of de politie, maar wel een huizenprojectmanager die niet democratisch verkozen en dus niet representatief of aansprakelijk is, moet geraadpleegd worden, is symptomatisch voor de ‘entrepreneurial neoliberal city’ die gedomineerd wordt door een persistente marktlogica.
Uiteindelijk sprak de Virginia Supreme Court Hicks vrij door te stellen dat de ‘trespass barment’ ongrondwettelijk was, maar de US Supreme Court weerlegde deze vrijspraak en koos de kant van de RRHA, want op het moment van de arrestatie, zo oordeelde de Supreme Court, beoefende Hicks zijn politieke rechten niet, maar bracht hij luiers naar zijn vriendin.
Dit artikel vormt voor mij de perfecte illustratie van de tendens tot anti-urbanisme die steden lijken te volgen in een neoliberaal systeem. Henri Lefebvre sprak in die context van ‘het recht op de stad’, een recht dat onder het mom van veiligheid, economische groei en transparantie steeds verder uitgehold wordt. Enkel de bemiddelde blanke middenklasse geniet in dit systeem het recht op de stad, de rest wordt in sterke mate gecriminaliseerd. Dit is niet enkel een fenomeen dat een paranoïde, post 9/11 Amerika teistert. Men denke maar aan de proliferatie van de ASBO’s (anti-social behaviour order) in het Verenigd Koninkrijk, een Mechelse skater die opgepakt wordt, en het Gentse stadscentrum dat vrij wordt gemaakt van bedelaars, krakers en junks.
Zonder onbesuisd en onbezonnen achter rode vaandels te willen marcheren, ga ik akkoord met het adagium van Mitchell: ‘Reclaim the streets’!




[1] BRENNER N., New State Spaces: Urban governance and the rescaling of statehood, Oxford, Oxford University Press, 2004, pp. 351.

[2] COLEMAN R., Images from a neoliberal city : state, surveillance and social control, Critical Criminology 12, 2003, 21–42.

[3] LEITNER H., PECK J., SHEPPARD E., Contesting neoliberalism: Urban frontiers, New York, The Guilford Press, 2007, pp. 340.